Spontane ode aan Het Muzieklokaal!

Elke dag zitten onze gasten bij ons met vrienden bij te praten, heerlijk in hun eentje te mijmeren, uitkijkend over het water, of hard te werken achter hun laptop. Vaak vragen we ons af wat er toch allemaal in jullie hoofden omgaat, waar jullie aan denken of werken. Soms vragen we het en horen we de meest interessante verhalen. Soms blijft het onuitgesproken in de lucht hangen. Al die gedachten, ideeën, dromen en plannen dwarrelen door de ruimte en vermengen zich met de klanken van de muziek. Samen maakt dit de sfeer waar wij weer elke dag van genieten en waar we jullie graag deelgenoot van maken.

 

Floor van der Zee is een van die bijzondere gasten. Zij zette haar ervaring in Het Muzieklokaal op een prachtige manier op papier en gaf ons met haar spontane ode een geweldig cadeau. Ook dat willen we graag met jullie delen.

 

 

Vrij op 5 mei

Ik zit in het Muzieklokaal en heb net mijn werkaantekeningen opgeborgen in mijn tas.

 

Zal ik naar huis?
Nog even niet.

 

Vóór mij de zwart glimmende vleugel. Ze staat daar kolossaal en gracieus: de gulle rondingen van haar ruime klankkast, de taps toelopende staanders als slanke kuiten op ranke enkels, leunend op drie bescheiden wieltjes – als ware ze een ballerina, balancerend op haar tenen.

 

Een jongen deelt brandende kaarsjes uit vanaf een dienblad.

 

Verder vooruit mensen aan tafeltjes, verwikkeld in gesprekken, of peinzend met kromme ruggen gebogen achter hun laptop. Denkers. De grijze man, onderuitgezakt in een van de fauteuils, zijn bril van een zwaar montuur. Alleen zijn hoofd en een puntje van zijn krant reiken tot boven de vleugel.

 

Fietsers buiten over de Bemuurde Weerd. Een man met een Marco Borsato sjaal als een lasso om zijn nek. Anita Meyer zingt Why Tell Me Why. Een Deliveroo bezorger, een meisje met een lange blonde haren en een rode baret. Prince zingt Raspberry Beret.

 

Aan de randen van mijn blikveld achter het glas de onvolwassen bomen langs de grachten. Hun jonge blad ontsproten aan de vele uitlopers van hun magere stammen, levenslustig uitgerold. Groene scheuten als opgewonden pubers in hun groeispurt. De met een dik wolkenpak bedekte zon als hun kalme moeder, ongevoelig voor het gulzig verlangen van haar kroost. Haar trage rijzen en dalen is meer dan genoeg, dat hoeft niemand haar meer uit te leggen – ze draait al een tijdje mee.

 

De boogbrug over het water. Gele harmonicabussen zonder geluid als speelgoed over het flauwe heuveltje, de mensen als miertjes erin. Alsof een reusachtige mollige peuterhand ze ieder moment kan optillen, over de huizen vliegend, naar de rand van de stad – of speels het kleine water in kieperend.

 

Ik vraag me even af of ik wat gemist heb door het Bevrijdingsfestival over te slaan, maar als ik proef en luister, aangespoord door de blokletters op de muren, van de ontspanning en naar klassieke vioolloopjes, bombastische koren en het belletje van de keuken, onder het zakken van de zon – denk ik dat het wel meevalt.